Op weg naar het beloofde land


De IsraŽlieten zijn begonnen aan hun reis naar het beloofde land. Ze hebben in de woestijn al van alles meegemaakt. De vorige keer hebben we het over de tabernakel, de tent van de HEERE gehad. Deze tent moest zo gebouwd worden dat hij ook weer meegenomen kon worden naar een volgende plaats. De spullen in de tabernakel hebben allemaal ringen aan de zijkant gekregen waar draagstokken doorheen kunnen. Ook de wanden van de voorhof, het heilige, en het heilige der heiligen kunnen uit elkaar gehaald worden en meegenomen worden op de reis naar het beloofde land. Deze keer lezen we over nog meer belevenissen van de IsraŽlieten. Ze zijn nu al bijna bij het beloofde land gekomen.

Gemopper over het eten


ĎMozes, in Egypte aten we vis, knoflook, komkommers, meloenen en uien. Maar hier in de woestijn eten we alleen maar manna en nooit meer iets lekkers. Geef ons iets lekkers te eten!í De IsraŽlieten zijn zat van het eten dat God hun elke dag weer geeft. De HEERE geeft ze elke dag manna om broodkoeken van te maken. Er is meer dan genoeg. En de IsraŽlieten blijven er gezond bij want God zorgt goed voor ze. Toch zijn ze er zat van. Ze mopperen op het eten en klagen bij Mozes. Mozes kan er niet meer tegen en zegt tegen God; ĎDood mij maar, altijd dat gezeur over eten, ik kan niet meer. Hoe kom ik aan zoveel eten voor zoveel mensen, en waarom heeft U mij uitgezocht? Ik kan dit werk niet meer doen, dood mij maarí. Maar de HEERE heeft andere plannen. Hij wil Mozes niet doden. Hij zorg dat Mozes hulp krijgt van zeventig wijze mannen uit het volk. Deze mannen kunnen dan ook problemen van het volk aanhoren en oplossen. Ook zegt de HEERE dat Hij vlees zal geven. De volgende dag komen er veel kwakkels aanvliegen en ze vallen neer bij de tenten van de IsraŽlieten. Er is genoeg vlees voor iedereen. De HEERE zorgt ook nu weer goed voor Zijn verbondsvolk. De IsraŽlieten zijn het verbondsvolk omdat de Here God een verbond met hen heeft gesloten. Hij heeft beloofd voor hen te zorgen. Hij heeft dit al beloofd aan Abraham. (ken je dat verhaal nog van die sterren en zandkorrels?)

Mirjam jaloers


Mirjam, de zus van Mozes, vindt het niet eerlijk dat het hele volk naar haar jongste broertje moet luisteren. Waarom speelt hij de baas? En waarom mogen zijn broer (Ašron) en zus (Mirjam) niet ook de baas zijn? Mirjam vindt dit alles oneerlijk. Ze praat hierover met anderen en wil graag dat veel IsraŽlieten dat ook vinden. Mozes hoort dit rare gepraat niet, maar de HEERE wel! Hij straft Mirjam. De H……RE heeft Mozes uitgekozen. Wat Hij doet is goed. Daar moet ook Mirjam op vertrouwen en naar luisteren! Wil je weten welke straf Mirjam krijgt? Los dan de puzzel op.
1. Hoe heet de baby die in een mandje in de Nijl werd gelegd?
Jozef, Jakob, Mozes

2. De hogepriester droeg over zijn witte kleren de ......
efod, gordel, tulband

3. Uit welke stam komen de mannen die in de tent van God mogen werken?
Ruben, Juda, Levi

4.Wat staat er in het heilige der heiligen?
kandelaar, ark, wasvat

5. Hoe heet de hogepriester?
Nadab, Abihu, Ašron

6. Hoe heet de tent van de HEERE?
tabernakel, tempel, kerk

7. Door welke zee moest het volk trekken?
Nijl, Jordaan, Schelfzee

Vul de eerste letters van de goede antwoorden in:

1

2

3
4
5
6
7


De verspieders


De IsraŽlieten trekken verder en komen in Kades-Barnea. Dat is een oase in de woestijn Paran. Een oase is een plek in de woestijn waar bomen groeien en waar water is. Het volk is nu vlak bij het beloofde land. Bijna is hun reis voorbij, bijna mogen ze genieten van het land dat de HEERE hen geeft. Een aantal IsraŽlieten heeft een goed idee. Ze vragen aan Mozes of het goed is dat er een aantal mannen stiekem in het beloofde land gaan kijken. Deze mannen moeten het land gaan bespieden. Mozes vraagt het aan de Here God en God vindt het goed. Uit elke stam mag er ťťn man verspieder zijn. Uit de stam EfraÔm (zoon van Jozef) is dat Jozua, en uit de stam Juda is dat Kaleb. De andere tien mannen zijn minder bekend.
De twaalf verspieders vertrekken naar het land Kanašn en het volk blijft achter. Veertig dagen blijven de mannen weg. En als ze terug komen dragen twee van hen een druiventros. Hij is zo groot dat ze met twee man hem moeten dragen. Ook hebben ze vijgen en granaatappels bij zich. Het volk komt snel naar de verspieders toe en gaat om hen heen staan. Was het mooi? Wonen er veel mensen? Wat voor vruchten groeien daar? De mensen zijn erg nieuwsgierig.

De verspieders vertellen


De verspieders kunnen veel vertellen over wat ze beleefd hebben. Het was erg mooi in het beloofde land! Het is daar prachtig en het land is erg vruchtbaar. Dit betekent dat er veel planten, bomen en gewassen groeien. Er groeit koren, er staan vruchtbomen en er groeien enorme druiven. De IsraŽlieten vinden dit mooie verhalen, helemaal nu zij in een droge dorre woestijn leven. En de verspieders gaan verder. Aan de westkant ligt een grote zee, en aan de oostkant stroomt de rivier de Jordaan. Er groeit veel gras, dat is genoeg voor alle schapen. Het volk is eg blij met deze berichten en willen direct wel vertrekken. Ze willen de tenten wel afbreken, hun spullen inpakken en de tabernakel uit elkaar halen en het land in gaan. Maar dan zeggen tien van de twaalf verspieders dat het niet zoín goed idee is: ĎHet land is erg groot, de mensen zijn groot en sterk, het lijken wel reuzení, zeggen ze. ĎDe steden zijn groot en er zitten sterke muren omheen. Er wonen allerlei volken, we kunnen het nooit van ze winnen. Laten we onze plannen maar vergeten. Dat land wordt nooit van ons. We kunnen het nooit veroverení. Het volk is teleurgesteld na dit verhaal. Het leek zo mooi en nu gaat het niet door.
Nu zijn we na zoín lange reis hier gekomen en nu kunnen we niet verder!

Jozua en Kaleb


Twee verspieders hebben tot nu toe hun mond gehouden. Het zijn de mannen Jozua en Kaleb. Zij zijn het niet met de andere tien mannen eens. Zij zeggen: ĎOok al is het een sterk volk, wij zijn sterker omdat wij de HEERE hebben. De HEERE kan ze wel aan. Hij heeft ons beloofd dat we daar mogen wonen dus zal Hij het ook doen. God is trouw en Hij doet wat Hij beloofd heeft. God zal voor ons vechten. Jullie moeten niet zo teleurgesteld zijn maar op God vertrouwen. De tien mannen houden vol dat het niet gaat lukken, ze denken niet te kunnen winnen van die reuzen. Het volk begint te zeuren tegen Mozes en tegen God. ĎWaren we maar in Egypte gebleven. De hele reis is voor niets geweest. Mozes, waarom heb je ons hier gebracht?í De HEERE is erg boos over deze woorden. Hij geeft ze een erge straf. De volwassenen moge het land niet in, nooit! Het volk moet terug de woestijn in en 40 jaar wachten. Als de kinderen groot zijn, en de volwassenen van nu dood zijn, pas dan mag het volk het beloofde land in!
Een lange optocht van IsraŽlieten, van sombere IsraŽlieten trekt de volgende dag de woestijn weer in. Voor de rest van hun leven zullen ze in de woestijn blijven en er zelfs sterven! Dit alles omdat ze niet op God vertrouwen.

Wie leefde er eerst?


Zet in de goede volgorde.
Mozes- Adam- Jozef- Jafet


Ašron- Jakob- Noach- Jesaja


Mirjam- Eva- Rebekka- Elizabeth


Jozua- Judas- David- Johannes


Jochebed- Maria- Batseba- Rachel


Juda- Salomo- Zacharias- Sem


Ruben- Petrus- Cham- Enos


Levi- KaÔn- Absalom- Matteus


Benjamin- Isašk- Saul- Kaleb


Abraham- SamuŽl- Naftali- Lucas



De antwoorden van de vorige keer: 1) Nadab en Abihu. 2) Vuurpan. 3) Vreemd vuur. 4) Hij doodde ze door vuur. 5) MisaŽl en Elsafan 6) UzziŽl 7) Hun kleren. 8) Hun hoofdhaar. 9)Ingang van de tent der samenkomst. 10)ja.