Op weg naar Pasen (5)


Gods volk


Abrahams familie is groot geworden. Isašk krijgt twee zoons, Ezau en Jakob. Deze tweelingbroers krijgen ook weer kinderen. Jakob en zijn kinderen horen bij het volk van God. Jakob gaat in het land Kanašn wonen met zijn kinderen en kleinkinderen. Een van die kinderen heet Jozef. Jozef wordt door zijn broers verkocht aan koopmannen en die brengen hem naar Egypte. Het is verschrikkelijk voor Jozef om door zijn eigen broers te worden verkocht. Het slechte plan van de broers gebruikt de Here om te zorgen dat Zijn volk niet omkomt in tijd van hongersnood. Jozef wordt onderkoning in Egypte en laat koren opslaan in schuren. Als de hongersnood gekomen is heeft hij genoeg eten voor zijn familie. Vader Jakob komt met zijn kinderen en kleinkinderen in Egypte wonen.
Ook jaren later als Jakob, Jozef en de andere zoons zijn gestorven, blijft het volk IsraŽl in Egypte wonen. Dit is niet het land dat God hun heeft beloofd. Het land van de Kanašnieten heeft God aan de IsraŽlieten beloofd.
De IsraŽlieten wonen eerst met veel plezier in Egypte maar na een aantal jaren wordt het heel erg vervelend. Van de nieuwe farao moeten ze heel hard werken. Ze zijn slaven geworden.

Onderdrukking


De IsraŽlieten worden onderdrukt. Dit betekent dat ze heel hard moeten werken en gestraft worden als ze even willen uitrusten. Ze moeten de hele dag werken want farao wil een mooi paleis en andere mooie gebouwen hebben. Farao bedenkt ook een gemeen plan omdat hij ziet dat het volk IsraŽl wel erg groot wordt. Hij denkt: ĎStraks zijn ze met zoveel en kunnen ze zo oorlog met ons gaan voeren Als ze met veel zijn kunnen ze zo van ons winnen.í Hij zegt dat alle pasgeboren baby-tjes gedood moeten worden. Dit is heel erg voor de IsraŽlieten. Er is 1 moeder die haar baby-tje verstopt in een mandje op het water. Dit baby-tje heet Mozes. Als de prinses gaat baden ziet ze hem liggen in zijn mandje. De prinses neemt hem mee naar haar paleis. Mozes groeit op bij de prinses op het paleis.

Mozes


God heeft een plan met Mozes. De Here heeft gehoord dat de IsraŽlieten het heel erg moeilijk hebben. En als Mozes groot is zegt God tegen hem dan hij het volk mag gaan bevrijden. Farao wil natuurlijk niet dat de IsraŽlieten weggaan. Maar God zal ze bevrijden uit het diensthuis. Hiermee wordt Egypte bedoeld. In Egypte moesten ze werken als slaven.
Farao luistert niet naar Mozes en naar de Here God. De Here God laat zien dat Hij sterker is dan elke koning hier op aarde. God zorgt ervoor dat er straffen komen. Zoek ze maar eens op in de bijbel (Exodus 7- 11) en vul ze maar in.

De tien plagen:
1 Het water veranderd in bloed
2
3
4
5
6
7
8
9
10

Pascha


Na negen straffen zegt God tegen Mozes dat de tiende plaag hierna zal komen, en dit zal ook de laatste plaag zijn. Alle oudste zoons zullen gedood worden. De IsraŽlieten zullen verlost zijn van de Egyptenaren. De Here God zegt dat de IsraŽlieten het Pascha moeten vieren. Ze moeten een dier in huis nemen, een lammetje, en deze moeten ze slachten. Het bloed moeten ze op de deurpost smeren. Zo kan de engel van God zien dat hij hier niet naar binnen moet gaan om de oudste zoon te doden. De IsraŽlieten moeten īs nachts klaar staan. Ze moeten het vlees eten en ze eten daar ongezuurde broden bij. In brood zit altijd iets om het te laten rijzen, zodat het brood luchtig wordt. Ongezuurd brood mag niet rijzen. Het is dus niet luchtig. De IsraŽlieten moeten als ze aan het eten zijn hun jas aandoen. Ze moeten hun schoenen aan hebben, hun riem om hun jas zodat ze goed kunnen lopen. Ze moeten klaar staan. Die nacht bevrijdt God zijn volk. Ze zijn eindelijk vrij en mogen naar het beloofde land. Het land waar nu nog de Kanašnieten wonen, maar het wordt het land van de IsraŽlieten. Farao verdrinkt met al zijn soldaten in de Rode zee.

Paasfeest


Elk jaar vierden de IsraŽlieten het Pascha, ze dachten dan aan de verlossing van de Egyptenaren. De Here God heeft hen bevrijd! Ook als de Here Jezus op aarde is, wordt het pascha gevierd. Ook dan denken ze aan de verlossing uit het diensthuis Egypte.

Wij vieren ook het paasfeest. Wij denken ook aan de verlossing, onze verlossing uit het diensthuis van de zonde. Wij waren ook slaven, slaven van de zonde. Wij doen elke dag verkeerde dingen. Ook voor onze onderdrukking heeft God een plan bedacht. De Here Jezus is gestorven aan het kruis voor onze zonden. In de Bijbel wordt gezegd dat Hij het Lam is. Net als het lammetje bij de IsraŽlieten. Gelukkig is de Here Jezus ook weer opgestaan, dit gebeurde op het paasfeest. Hij heeft gewonnen van de duivel en dus van de zonde. Omdat Hij dit gedaan heeft wil de Here God onze zonden vergeven. Maar dan moet je wel in Hem geloven, en doen wat Hij zegt.

Psalm 105 vers 17 gaat over de bevrijding van het volk. Ik heb het vers overgeschreven maar ik heb woorden vergeten. Weet jij welke?
Het was ...............zelf die hen ........................
Zij trokken uit, daar Hij hen...........................
Hij voerde hen met ...................................buit,
een schat aan..................en ....................uit.
.................................zag met vreugd hen gaan,
door schrik voor ...................gericht ontdaan.