Leven in het verbond?


Onze ouders met opgroeiende kinderen in de basisschoolleeftijd staan voor een moeilijke keuze. Waar moeten zij hun kind of hun kinderen naar school sturen, zodat de geloofsopvoeding die thuis wordt gegeven aansluit met wat de kinderen op school horen en leren?

In het Reformatorisch Dagblad van 28 december 2013 werd bij een artikel over de tendens van krimpende scholen een directeur van een reformatorische school aan het woord gelaten. Hij gaf aan dat op de twee scholen waarvan hij directeur is, ook leerlingen uit onze kerken zitten. De ouders hebben voor een reformatorische school gekozen in plaats van een vrijgemaakte school. De directeur vertelt dat zij zich niet meer thuis voelen in de vrijgemaakte scholen. Kinderen van onze kerken, en ook de ouders, komen daardoor met leden van de rechterzijde van de gereformeerde gezindte in aanraking.

Belang

In dit kader is het voor ons allemaal van belang om helder voor ogen te hebben waarin de reformatorische en de gereformeerde leer van elkaar verschillen.

 

In dit artikel willen we nader stilstaan bij de verbondsleer binnen de Gereformeerde Gemeenten (in Nederland). Daardoor leren we beter onderscheiden waarop wij als ouders en gemeente gespitst moeten zijn, wanneer onze kinderen reformatorisch onderwijs genieten. We wijzen in dit artikel de schoolkeuze niet af, maar willen opscherpen.

Gereformeerde Gemeenten

Het reformatorisch basisonderwijs is gestoeld op het onfeilbaar Woord van God en de Drie Formulieren van Eenheid. De leerlingen en de docenten komen met name uit de rechterzijde van de gereformeerde gezindte. Dat zijn bijvoorbeeld de (Oud) Gereformeerde Gemeenten (in Nederland), de Hersteld Hervormde Kerk en delen van Geref. Bondsgemeenten binnen de PKN.

We zoomen nu verder in op de Gereformeerde Gemeenten, aangezien dit kerkverband na de PKN en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) het grootste is in Nederland.

De Gereformeerde Gemeenten zijn ontstaan in 1907. Zij zijn een vereniging van Kruisgemeenten en Ledeboerianen.

Deze twee kerkverbanden zijn in 1907 verenigd, met name op initiatief van ds. G.H. Kersten. Ds. Kersten is een belangrijke naam binnen de Gereformeerde Gemeenten, vergelijkbaar met bijv. dr. A. Kuyper in de Gereformeerde Kerken destijds.

De kerkelijke kaart was in de beginjaren 1900 in beweging. Verschillende kerkverbanden waren bezig te beoordelen of samengaan mogelijk was. Eind jaren 20 van de vorige eeuw doen bijvoorbeeld de Christelijke Gereformeerde Kerken aan de Gereformeerde Gemeenten het verzoek om samen te gaan. Dit verzoek wordt afgewezen, met name vanwege verschillen in de leer.

Leerstellingen 1931

En belangrijk verschil in de leer ziet op de verhouding tussen de verbondsleer en Gods verkiezing. In 1931 nemen de Gereformeerde Gemeenten daarover een aantal besluiten. Het eerste daarvan luidt

dat het verbond van de genade staat onder de beheersing van uitverkiezing tot zaligheid, dat het wezen van het verbond daarom alleen voor de uitverkoren Gods en nooit gelden kan voor het natuurlijk zaad. Dat aard en wezen van Verbond der Verlossing en Verbond van de Genade n zijn en niet twee. In wezen is het n verbond 1).

Met andere woorden: God heeft alleen een verbond gesloten met de uitverkorenen. Het aantal uitverkorenen is even groot als het aantal verbondskinderen. In deze optiek zijn er dus geen verbondsverlaters. Wij zeggen: Jakob en Esau waren beiden verbondskinderen en Esau was een verbondsbreker. Vanuit dit leerbesluit zegt men: Jakob was een verbondskind, Esau is dat nooit geweest.

Dit is een theologische discussie met praktische gevolgen. Op deze manier is het namelijk mogelijk dat een kind van gelovige ouders gedoopt is en het teken van het verbond heeft ontvangen, terwijl het onzeker is of de beloften van het genadeverbond ook echt voor hem of haar geldig zijn. Eerst moet komen vast te staan dat hij of zij uitverkoren is. Het verbond geldt alleen voor de uitverkorenen en niet voor de kinderen die bij de gelovige ouders worden geboren (het natuurlijk zaad).

Gereformeerde verbondsvisie

Als we nu Zondag 27 van de HC lezen, dan staat daarin dat ook de kleine kinderen gedoopt moeten worden, aangezien zij evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente behoren. Ook aan de kinderen wordt door het bloed van Christus beloofd de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt. Hieruit leren wij dat ook de kinderen tot Gods verbond behoren. De beloften van God voor alle dopelingen zijn waarachtig. Het verbond van God wordt in de Heidelbergse Catechismus dus niet beperkt tot de uitverkorenen.

De opstellers van de Heidelbergse Catechismus baseren dit o.a. op Genesis 17:7: Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn en op Hand. 2:39: Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal. en op Ps. 22:11: aan U werd ik overgegeven bij mijn geboorte, van de moederschoot af zijt Gij mijn God.

God stelt ons (verbondskinderen) niet de vraag of wij tot de kring van de uitverkorenen behoren. Hij vraagt ons of wij Jezus Christus, de Middelaar van het Verbond, aanvaarden 2). Dat is de vraag die ook in de wekelijkse prediking tot ons komt, roep tot geloof en bekering.

Consequentie

Misschien lijkt het nog steeds een wat theoretische kwestie. Heeft dit nu een daadwerkelijk praktische betekenis? Het antwoord daarop is een volmondig ja. De reformatorische zienswijze van de verhouding tussen Gods verbond en de uitverkiezing laat in veel zaken zn sporen na. We noemen de volgende voorbeelden.

In de reformatorische kerken kan aan de kinderen niet worden verteld dat ze verbondskinderen zijn. Eerst moet vaststaan dat de kinderen uitverkoren zijn; eerst zal moeten worden vastgesteld dat de wedergeboorte heeft plaatsgevonden. De kinderen zal dus worden geleerd dat ze van zichzelf doemwaardig zijn voor God en dat ze een nieuw hart moeten krijgen, dat de Here hen in zijn welbehagen al of niet schenkt.

Op basis van de bovenstaande Schriftwoorden leren wij aan onze kinderen dat ze door Gods genade reeds in Gods verbond zijn opgenomen. Onze kinderen zijn dus erfgenamen van het eeuwige leven, burgers van Gods Koninkrijk, omdat ze in Christus geheiligd zijn.

Aan de kinderen, maar ook aan de ouders, wordt voorgehouden dat zij in hun leven moeten opmerken dat zij wedergeboren zijn. Dit leidt tot een bevindelijke prediking, waaraan sterk wordt gehecht binnen deze kerkgenootschappen. De bevinding, de ervaring, van Gods krachtdadige werking wordt hoog aangeslagen, aangezien op basis daarvan zekerheid wordt verkregen dat God in de gelovige werkt.

Het hoog aanslaan van de bevinding, van de ervaring als basis voor ons zekerheid, is in strijd met DL V.10, waar wij belijden:

Deze zekerheid komt dus niet voort uit een of andere speciale openbaring zonder of buiten het Woord, maar uit het geloof in Gods beloften, die Hij in zijn Woord zo overvloedig tot onze troost geopenbaard heeft. Zij komt ook voort uit het getuigenis van de Heilige Geest, die met onze geest getuigt, dat wij Gods kinderen en erfgenamen zijn, en tenslotte hieruit, dat de gelovigen zich met heilige ernst toeleggen op een goed geweten en goede werken.

In dit kader is het dan ook niet vreemd dat niet alle belijdende leden van de gemeente mogen aangaan aan de tafel van het verbond, het Heilig Avondmaal.

Door het moeten wachten op Gods krachtdadige werking in het hart als blijk van de uitverkiezing, ontstaat er onzekerheid. Ben ik wel uitverkoren? Ben ik wel een kind van God? Mag ik wel aangaan aan de tafel van Gods verbond?

Men wordt hiermee teruggeworpen op zichzelf. Het anker wordt uitgeworpen in het ruim van het schip, in plaats van buiten het schip. De leer van Gods verkiezing van eeuwigheid wordt niet tot troost van de gelovigen geleerd en beleden. Zij leidt tot vragen, die voor heel veel geestelijke moeiten kunnen zorgen.

De nadruk ligt op het persoonlijk heil, op het innerlijk, op het (mystieke) zieleleven. Het gaat er maar om dat je wedergeboren bent en dat je jezelf mag zien als kind van God.

De nadruk komt daarmee te liggen op de gelovige in plaats van op de gelovigen als gemeenschap van geheiligden. Binnen de reformatorische kerkverbanden heeft men daarom ook minder moeite met interkerke-lijke samenwerking. Denk hierbij maar aan de SGP, waarin de drie kamerleden uit verschillende kerkverbanden komen. Of ook aan het Reformatorisch Dagblad, waar de kerkpagina zonder nadere duiding of opinie kan worden gevuld met berichten uit de kerkgenootschappen.

Dit zijn maar enkele voorbeelden, maar deze laten wel duidelijk zien dat de leerstelling dat het verbond staat onder de beheersing van de verkiezing, wel degelijk zeer belangrijke praktische gevolgen heeft. De ouders met kinderen op een reformatorische school zullen hierop verdacht moeten wezen en waar nodig ook bij moeten sturen.

Met een ingebeelde hemel naar de hel

Een belangrijk gevolg van de leerstellingen die de Gereformeerde Gemeenten in 1931 namen, is de onzekerheid of je al dan niet een kind van God bent.

Vanuit de reformatorische hoek wordt ons echter voor de voeten geworpen dat onze verbondsleer leidt tot verbondsautomatisme. Iedereen die gedoopt is, is een kind van God? Iedereen die belijdenis doet, mag aan het Avondmaal? Aan de gemeenteleden wordt voorgehouden dat ze kinderen van God zijn, maar hoe kan dat zo stelling aan iedereen worden voorgehouden?

Zij menen dat er sprake is van automatisme, waarbij men met een ingebeelde hemel naar de hel gaat.

Wij zeggen echter niet dat het wel goed zit als je gedoopt bent. Dit leidt gemakkelijk tot een zorgeloos en goddeloos leven. Ook gedoopte mensen moeten opnieuw geboren worden, zij moeten zich dagelijks bekeren. Maar, wanneer wij ons afvragen of wij kinderen van God mogen zijn, dan mogen wij onze hand leggen op het Woord van Hem. De HERE heeft zich zonder iets in ons of door ons aan ons verbonden door ons op zijn Naam te zetten bij de Heilige Doop. Omdat Gods Woord waarachtig is, omdat God rechtvaardig is en zichzelf niet kan verloochenen, is er geen sprake van dat Gods Woord een loze belofte zou zijn. De Here is getrouw, in verbondszegen en in verbondsvloek. Daarin wijkt God niet af van zijn eens gegeven Woord.

Het verwijt van verbondsautomatisch denken, wijzen wij daarom ook van de hand.

Leven in het verbond?

Wij hebben besproken wat de praktische gevolgen zijn van de verbondsvisie zoals die door de Gereformeerde Gemeenten wordt voorgestaan. We moeten vasthouden dat de gelovigen en hun zaad tot de gemeente van de geheiligden, van apart-gezetten behoren. Dat is een grote gunst, het is Gods genade, die Hij daarin aan ons bewijst. De HERE heeft ons daarmee apart gezet. We zijn overgezet van het rijk van de duisternis in het rijk van het licht.

Deze verlossing uit onze ellende betekent dat wij ons leven nu aan de HERE mogen en moeten wijden, omdat Hij onze eigenaar is in leven en sterven. Niets staat buiten het verbond. Het gewone leven van werken, huwen, opvoeding staat niet verder van God af dan het godsdienstige leven. Gods zorg en zijn hulp gaan over het hele leven. Onze dienst in Gods Koninkrijk is verbondsdienst. Laten we Gods rijke genade van zijn verbond op de juiste wijze aan onze kinderen leren en voorleven!

1)Gelezen in Verbond en Verkiezing (1992), dr. J. van Genderen. Hierbij wordt verwezen naar Handelingen der Generale Synode van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland gehouden op 21 mei 1931 te Rotterdam, artikel 8.

2)Een eeuwig verbond (1984), prof. J. Kamphuis, p. 26